
Gerrit was gek op vrouwtjes. En op drank. En op sigaretten. En op hard werken. En op Utereg.
Gerrit was Utereg.
In mijn eerste werkweek nam hij me een middagje mee. Voordat we in zijn auto stapten, vertelde hij dat hij gek was op Groningen. En niet alleen op de FC. Groningers waren net Utrechters en daarmee vele malen beter dat die luilakken uit DeHaag en die opscheppers uit Adam.
‘En Rotterdammers?’ vroeg ik.
‘Jammer dat ze van Feyenoord houden.’
De rondrit begon.
De kortste route van kantoor naar de binnenstad was een weggetje langs het water.
‘Let maar niet op de bootjes’, zei Gerrit met pret in zijn ogen, ‘daar wonen de vrouwtjes maar als jij daar ga wonen, haalt ik je er weg.’
Ik keek naar de woonboten vol met schaarsegeklede vrouwen uit alle windstreken.
‘As je overdag naar de stad moe, ken jij hier ook rijen. As het donker wor, moe je hier niet langes. Begrepen?’
Eenmaal in de stad liet Gerrit mij de beste garage voor mijn auto zien, de geheime plek om te gratis te parkeren, het ziekenhuis, het politiebureau, de winkelstraat, de weg vanuit de stad naar Amsterdam, of naar Amersfoort, of naar Almere. En na een paar uurtjes kende ik Utrecht en het Utrechts op mijn duimpje.
Mijn kantoor zat tegenover dat van Gerrit. Hij had een team glazenwassers en zijn communicatiestijl was duidelijk. In de jaren dat ik er werkte, leerde ik steeds meer over de achtergrond van zijn jongens. Als Gerrit ze niet onder zijn hoede had genomen, waren ze in de goot beland. Maar hij was ook kneiterhard: je kreeg een kans. Belazerde je hem nog een keer dan lag je er uit.
‘Ik hep hem ontslagen,’ zei hij dan tegen mij.
‘Dat gaat zomaar niet,’ zei ik als keurige personeelsadviseur.
‘Ja hoor. Dat ging zomaar. Hij ga niet moeilijk doen. Schrijft maar dat ik hem ontslagen hep dan heef hij in ieder geval een WW.’
Gerrit had een gouden hart.
Op een dag gaf hij elke vrouw op kantoor een prachtige rode roos. Hij had ’s morgens op de radio gehoord dat het secretaressedag was en was direct langs de bloemist gereden. Als laatste gaf hij de directiesecretaresse er een. Hij liep door en stak zijn hoofd om de hoek van het kantoor van de directeur.
‘He Bolle, wat hep jij voor de meissies gekog?’
Hij vertelde het schaterend aan iedereen die het maar wilde horen. ‘Bolle bloosde en zei “Zeg Gerrit, moet jij niet aan het werk?” Ik zei: “daar hep ik de jongens voor” hahaha.’
Elke vrijdag voerden mijn collega’s en ik de urenbriefjes van alle schoonmakers in in de computer. Als alles goed ging, waren we om vier uur klaar. Rond die tijd begon de vrijdagmiddagborrel in het kantoor van Gerrit. Een half uurtje voordien vroeg hij hoe het met ons ging. Ik zei een keer dat ik nog zat te wachten op de urenbriefjes van een teamleider die zo’n 150 mensen onder zich had.
Gerrit greep zijn nieuwe Nokia en maakte het de teamleider – die gewoon in het kantoor naast mij zat – duidelijk dat hij 5 minuten had om de briefjes in te leveren en anders mocht hij ’s maandags aan zijn mensen uitleggen waarom ze geen loon hadden gekregen.
Toen de teamleider de briefjes op mijn bureau legde, nam Gerrit zijn collega nog even mee voor een 1-op-1-tje in het magazijn. Het collegiaal overleg was duidelijk: punt 1: jouw mensen willen salaris, punt 2: jouw collega’s van personeelszaken willen net als jij om 4 uur borrelen en punt 3: jij moet elke vrijdag voor tien uur je briefjes inleveren.
Simpel toch? Gerrit had geen managementboek nodig.
‘Een compliment van Gerrit was een echt compliment,’ zei vriendin-en-oud-collega van me gisteren tijdens het koffiedrinken. En zo was het: Gerrit loerde niet naar de inhoud van je nieuwe jurk. Gerrit floot en zei dat je er prachtig uitzag.
Er waren mannen op kantoor waar ik niet naast wilde zitten, zeker niet tijdens de vrijdagmiddagborrel. Zij loerden wel, raakten je perongelukexpres aan, lachten zelf het hardst om hun eigen vunzige grappen en maakten een drama als ik er iets van zei.
Gerrit en zijn jongens waren keurig naar vrouwen. Ook als ze katjelam waren.
De vrijdagmiddagborrel was altijd gezellig. De jongens frituurden in het magazijn en toverden flesjes bier uit een koelkast die de rest van de week keurig achter een aantal grote jerrycans met schoonmaakmiddel stond. Ook de directeur deed een biertje mee. Hij hield van Feyenoord en moest dat elke vrijdag weer verantwoorden.
Gerrit zijn duidelijkheid werd de directeur iets te gortig en daarom moest hij een managementtraining doen. En toen werd het muisstil in het kantoor aan de overkant van de gang. Hij was geen studiebol maar zijn collega’s hielpen hem met de theorie en hij kwam op zijn Gerrits glansrijk door het mondelinge gedeelte van zijn examen.
De trainer had zelden zo’n authentiek persoon ontmoet, schreef hij in het rapport aan de directeur. ‘Ik adviseer je om hem te koesteren in je team. Hij is de enige die het lef heeft om tegen je te zeggen wat er gezegd moet worden’.
De laatste keer dat ik hem zag, was in het ziekenhuis. Hij zat in een rolstoel op het balkon en rookte de ene een sigaret na de andere terwijl het slangetje uit zijn neus verbonden was met een zuurstofcilinder achter op zijn rolstoel.
‘Zou je niet stoppen met roken Gerrit?’ vroeg ik.
‘Dat help tog nie meer dus dan ken ik er nu maar beter van genieten.’
Een paar weken later was ik bij zijn crematie en zag ik de vrouwtjes-van-kantoor en zijn al-lang-volwassen-jongens huilen.
Gerrit was een groot man.
Geef een reactie