Ik weet niet of ik gelukkig ben of juist helemaal niet. Ik voel mij gevangen tussen uitersten van gevoelens. Neem nou het schrijven: ik doe het graag, ik doe het al lang maar ik stop er telkens weer mee omdat er een stemmetje in mij zit dat bij elk geschreven woord harder tegen mij spreekt.
’t Is steeds hetzelfde zinnentje. Het sneert: ‘Wie denk jij wel dat je bent?’ Ik weet niet wie het ooit tegen me heeft gezegd of dat ik het zelf heb bedacht maar het blokkeert mij. In alles. Niet alleen in het schrijven. Maar bij het schrijven misschien wel het meest. Nee, da’s niet waar. Bij een geliefde tettert het ook. En het stemmetje wint. Telkens weer.
Ik denk dat ik een jaar of twintig was toen ik voor het eerst schreef zonder dat het een dagboek was. Als tiener had ik een dagboek met een slotje en met geheimen maar dat dagelijks schrijven verdween naar de achtergrond toen ik ging samenwonen. In plaats daarvan zat ik met een schriftje op schoot achter de kledingkast te schrijven als hij op zondagochtend voetbalde.
Waarom ik achter een kast zat?
We hadden de kledingkasten in de ruimte waar ook de cv-ketel hing. Daar pasten twee kledingkasten naast elkaar en omdat het een schuin plafond had, was er een klein zoldertje achter die kasten. Ik vond het er knus en privé. Ik had er een paar kussens neergelegd zodat ik er lekker kon zitten. Misschien had het de knusse sfeer van de zolderkamer waar ik sliep toen ik nog bij mijn ouders woonde. Rob wist dat ik daar graag zat en ik weet zeker dat hij nooit in mijn schriften heeft gekeken. Het was mijn eigen hokje en ik schreef er met veel plezier. Soms pende ik mijn problemen op, soms waren het fantasieverhalen maar altijd verscheurde ik ze na een paar dagen omdat ik me er voor schaamde.
Die ruimte achter de kasten is zo symbolisch voor hoe ik daarna als volwassen werd: ik maak me klein als het om mijn diepste verlangens gaat. Ik kruip figuurlijk naar een donkere plek en alles wat daar gebeurt, is geheim en mag nooit het daglicht zien.
‘Praat jij over je gevoelens?’ vroeg een psycholoog laatst aan me.
‘Ja, achteraf. Soms jaren later vertel ik tussen neus en lippen iets over wat mij heeft geraakt.’
‘Waarom niet op het moment zelf?’
‘Omdat ik denk dat niemand naar mijn oeverloos getreur wil luisteren. Ik ben mensen kwijtgeraakt doordat ik ogenschijnlijk simpele problemen niet achter me kon laten.’
Ze knikte maar ik weet niet of ze het begreep.
Ik vind het moeilijk om met mensen over mijn gevoel te praten omdat een gesprek tweerichtingsverkeer is. De ander reageert op wat ik zeg. Ik haak na een paar zinnen af als het onderwerpen zijn die mij raken. Ik wil mijn gevoel voor mezelf zuiver houden en me niet laten beïnvloeden door de reactie van de ander.
Toen ik onlangs van een arts hoorde dat er kwaadaardig (boeiend woord: hoe kan iets dat kwaad is ook aardig zijn?) weefsel in de knobbel in mijn borst was gevonden, heb ik dat de eerste paar dagen aan veel mensen moeten vertellen. Dat vond ik zwaar. Niet de mededeling zelf maar vooral het incasseren van alle reacties. Ik had het gevoel dat ik ze opving. De een schrok, de ander stelde vragen, de volgende huilde, de ander had handige tips of een kennis die hetzelfde had meegemaakt.
Daar kwam bij dat ik het aan iedereen op een andere manier vertelde omdat ik wist dat de een haar tante of haar vader of haar man hieraan had verloren, de ander zijn moeder of zijn zus of zijn vrouw. Ik kan goed communiceren en ik ben ook een meester in de juiste woordkeuze maar dit voelde alsof het niet over mij ging. En ik koos er bewust voor om niet alleen te spreken over de knobbel maar ook over het behandelplan dat het ziekenhuis voor mij in petto had. Daarna zei ik steevast: ‘en dat ga ik dus niet doen’.
Dat veranderde gegarandeerd het tempo van het gesprek. Het viel stil of het versnelde juist. Meestal volgde de waarom niet?-vraag of kwamen er juist opbeurende woorden omdat men aannam dat ik bang was. Een enkeling had er, vaak uit eigen ervaring, begrip voor. En sommigen daagden me zelfs uit door te vragen of ik dood wilde. Alsof het volgen van het behandelplan de garantie was voor een lang en gezond leven.
Toch heeft die laatste vraag mij aan het denken gezet want er zit een kern van waarheid in. Ik vind het leven namelijk niet leuk. Het is een sleur en wat ik echt wil, durf ik niet. Zoals het schrijven. Dat doe ik alleen als er een reden is. Anders gezegd: als ik een reden buiten mijzelf zie. Zo blog ik als ik op reis ben. Die teksten lees ik na mijn reis nooit weer. Ik schrijf ze namelijk voor mijn vrienden. Als ik lekker op dreef ben tijdens een reis, schrijf ik naast mijn blogs ook korte verhalen of een roman maar dat heeft niemand ooit gelezen.
Ik heb veel geschreven en evenveel weggegooid. Vroeger scheurde ik de pagina’s uit mijn schrift als ik na een week weer achter de kast kroop en nu verwijder ik ze van mijn laptop. Het stemmetje heeft dan gewonnen. Maar na een paar weken begin ik opnieuw. Ik moet schrijven om tot mezelf te komen.
Hoe goed jij mij ook kent, je kent maar een deel van mij. Als je me wat langer kent dan weet je misschien dat ik graag schrijf en dat ik het na een paar pagina’s weer weggooi maar wat ik voel en wat mij bezighoudt, vertel ik nooit helemaal. Een hap en een snap. En vooral niet te vaak. Ik doe veel om het gesprek gezellig te houden en de vriendschap te behouden.
Misschien wil ik wel dood. Of wil ik juist het lef hebben om te leven?

Geef een reactie